Vlijmense liedjes, met dank aan Leo van Zon, verzamelaar van bidprentjes, die deze gegevens uit allerlei archieven boven water heeft gekregen.
Lied over Vlijmen
Refr.
Vlijmen hoe mooi ben jij,Komt men in de Langstraat aan
Dan eerst in Vlijmen aangedaan
Dorp met je mooie dreven.
Refr.
Zie de torens trots daar staanRefr.
Oud en nieuw komt hier tot standRefr.
Van de wolput tot den dijkRefr.
Is er een plaats waar carnavalRefr.
Kinderen ziet men bij de vleetRefr.
Poort der langstraat ben de gijLied van grootmoeder.
Bezien wij de wereld, wij vinden ach heerZij heeft wel honderd keren gezegd
Toen was men zozeer aan het geld niet gehecht
En men hield niet altijd voor ’t huwelijk in ’t oog
Hoe zwaar ook de beurs van grootvader woog
Toen zocht men een vrouwke dat braaf was en spon
Dat naaide en breidde en het huishouden kon
En was men op ’t spoor van zo’n vrouwke geraakt
In ’t bijzijn van de ouders werd kennis gemaakt.
Zij kookten, zij schuurden, zij deden de was
Zij droeg geen haar of ’t was eigen gewas
Eenvoudig gekleed en een zedig gelaat
Was toen voor de vrouwkes het schoonste sieraad.
Toen stak het vrouwke geen ijdelheid
Zij kenden geen poeven of crinolin
Maar waren zo zot niet op dans of grdruis
Ze leerden hun kinderkes en bleven thuis.
Toen waren de mannen wat meer voor het profijt
Zij vierden geen maandag en werkte altijd
En dronken op zondag een pintje of vijf
En keerden op klokslag van tien bij hun wijf.
Toen waren de kinderen voor de ouders geen kruis
De dochters die bleven des s’avonds in huis
En de jongens die gingen tot ouders verdriet
Van 17 jaar op hun pintje nog niet.
Men gaf toen nog geen geld aan een fonds of een smous
Het ging in een rent of het ging in een kous
De winst was maar klein en de rente maar kaal
Maar niemand ging lopen met hun kapitaal.
Van gas of petrol werd toen niet gehoord
Men was al tevree met een kaars van een oort
Al was het toen veel minder verlicht
Toch werd er niet zoveel brand gesticht.
Zo was het in mijn grootmoeders tijden gesteld
En zij heeft het mij wel honderd keren verteld
Hoe rustig en schoon was het leven weleer
O, tijden van grootmoeder, kom nu nog eens weleer.
Brabants heksenvers
O Brabant met jou wonderschone dreven
wat is er in de voorbije tijd al niet over jou geschreven,
wou niet de koopman steeds met lust in jou verblijven
en vond de dichter niet bij jou het stof tot schrijven.
Welaan, Brabant, en ik roep het luide
Wat gij voor eeuwen terug voor vele al beduide.
Daar kruiden vroeger boerkes naar de markte
en hadden uren gaans
en weer gekomen schauwde zij de schatte
die was dan dood, zoniet bijkaans
In het nachtelijk duister trokken reeds de maaiers
met haartuig en zeis in de oude tijd
of haak en sikkel schuurt het karen
het was van elkaar wel zeven mijlen wijd.
In je streken huisden ook vele spoken
heksen leefden er bij wijlen bij de vleet
menig boerke zag dan in het duister
een heks die op haar bezemsteel door het luchtruim gleed.
Bij het haarvuur zat de oude te vertellen
als de stormwind gierde door de schoorsteen heen
van rare wezens met hele lange tanden
die kwamen flauwtjes wanner de mane scheen.
Als de wind dan gierde om het huisje
keken de kleine bij voorbaat al omhoog
beangst tesaam gedrukt ,zacht adem halend
alsof de heks in kwestie binnen vloog.
Vele hadden spoken rond zien zweven
bij helder maanlicht in wit gewaad
bespookte kinderen die te slapen lagen
stichten overal onheil en veel kwaad.
Brave vrouwen, braaf hun brood verdiend
door het noodlot bij ieder aangezien als spook
werden opgestookt in gloeiend hete ovens
en ging het hekswijf op in vuur en rook.
Zo gingen in die dagen vele brave mensen
Onschuldig in het gloeiend vuur
Die dankten dan meestal dit vreselijk levens uur
Aan duidelijk verklaarbaar mand gevecht met een buur.
Liedje dat vroeger veel gezongen werd door de mandenmakers onder het werk.
Pier de mandenmaker
Pier zei, ik weet een woordeke
Een woordeke voor u
We trekken het koordeke
Trien lief, we trouwen nu
Refr.
Trien lief is dat geen plan
Trien lief is dat geen plan
Trien lief is dat geen plan
Geen plan? Trien lief is dat geen plan.
Een huiske met een hoveke
Een keuken met een schouw
Wat stoelen en een schoveke
En wij daar man en vrouw.
Refr.
We komen met ons handekes
Wel makkelijk aan de kost
Ik maak er voort mijn mandekes
Mijn winkel wordt uw post
Refr.
En kunnen wij wat stuiverkes
Besparen op het gewin
Ze gaan al zeer en zuiverkes
Den aarden spaarpot in.
Refr.
Blaast dan een gunstig windeke
Het wonderschipke alhier
We kopen ons een kindeke
En heten het trientje of Pier.
Refr.
Gij kiest uit al mijn wiegekes
Het allerliefste uit
En jaagt de dolle vliegekes
Met kussen van zijn huid.
Refr.
Uit het boek:
Heb je een stem of niet, Zing een vrolijk lied, 1936
Liedje over De tram in Vlijmen
Het is dan toch zover gekomen
jij staat aan de rand van het graf,
men wilde niks meer van je weten
het mensdom wilde van je af.
de machinist die moest maar wachten
tot de conducteur hem riep.
iedereen wilde jou helpen
als je uit de rails een liep
en voor een kaart van 40 cent
gaf jij een reisje zonder end.
Refr.
En niemand hoor ik klagen
maar ik, ik treur om jou
want in puur goeie dagen
was het een betere tijd dan nou.
Ik heb aan de haven daar staan kijken
met een traan in het oog gezien
hoe jij langzaam moest verdwijnen
jij zo trotse trammachien
hoe ze jou in de schepen sleepte
hoe de sloper overwon
zeg wordt jij soms omgetoverd
in een geweer of kanon
als het werkelijk zo met jou is gesteld
je dan geen kwaad met kwaad vergeld.
Refr.
Groet en Hulde aan het GOUDEN PAAR
Wijze: Wiens Neerlandsbloed, enz.
Gegroet, o edel Huw’lijkspaar,
Door het Goud des echts gekroond!
Hoor ’t jub’len van een vriendenschaar,
Die u zijn hulde toont:
Wijn dringen om uw zetels zaàm
En juichen luidde meé,
OP ’t feest zoo schoon als aangenaam,
Uw Gouden Jubilé! (bis)
Geen Vorsten-diadeem, hoe schoon
En luistervol ze ook blonk,
Haalt ’t bij de Gouden Huw’lijkskroon,
Die U de hemel schonk,
En daarom jub’len hart en mond,
Van maagd en vriendenschaar,
En klinkt het U ter eere rond:
Heil, heil aan het Gouden Paar! (bis)
Aanvaard de hulde aan U gebracht
Door maagd en vriendenrij:
Dat gij nog lang door hooger macht
Voor ons behouden zij
Draag jaren nog het Huw’lijks-Goud
In zoete levens vreugd,
Tot dat ge eens daar de kroon aanschouwt
Als het loon van liefde en deugt.(bis)