Nieuwkuijk

De naam Nieuwkuijk komen we voor het eerst tegen in 1312, en wel in de vorm van "Nyeencuyc". De naam wijst op een verband met Cuyk aan de Maas, en dat klopt inderdaad, al moeten we daarvoor terug naar de dertiende eeuw. In die tijd is Willem van Cuyk gehuwd met Sophia van Gimmenick, vrouwe van Hoogstraten, maar die ook goederen in het latere Nieuwkuijk in leen houdt. Hun zoon Jan is degene, die in 1312 grondheer van Nyeencuyk wordt genoemd.
Deze heer Jan III van Grave en Cuyk, en graaf van Hoogstraten, treedt in het huwelijk met vrouwe Catharina Berthout, die zelf ook al bezittingen in Nieuwkuijk heeft, zodat Jan er zijn invloed verder kan uitbreiden. In 1381 wordt Nieuwkuijk een zelfstandige heerlijkheid, maar al in 1383 doet Jan van Kuyk "tgericht ende die heerlycheyt van Nieuwekuyc" van de hand aan Boud Kuyst van Wijck, een broer van de toenmalige heer van Onsenoort. Naderhand komen door vererving de beide heerlijkheden in één hand, op zichzelf al een merkwaardige zaak, omdat Onsenoort onder het graafschap Holland en Nieuwkuijk onder het prinsbisdom Luik ressorteerde. In 1670 schonk Karel van Malsen een deel van de heerlijkheid, gelegen in de omgeving van het Drunens kasteel, aan Johan, baron van Wassenaar, heer van Drunen.
Na het terugdringen van de Spaanse invloed tijdens de Tachtigjarige oorlog vinden wij de aantekening, dat de predikant Voetius uit Vlijmen in 1629 in Nieuwkuijk een predikatie tracht te houden, maar dat hem dit onmogelijk is gemaakt. In kerkelijk opzicht behoorden Nieuwkuijk en Onsenoort tot de parochie Drunen, die bediend werd door priesters van de abdij Tongerlo. Rond 1500 moet er te Nieuwkuijk een kapel hebben gestaan, die toegewijd was aan St. Jan en St. Ewald. De oudst bekende overeenkomst over diensten in deze kapel dateert van 1510. Hierin werd onder meer bepaald, dat op de vier hoogtijdagen in de kapel geen diensten zouden mogen worden gehouden, zodat men de kerk van Drunen steeds als de eigenlijke parochiekerk zou blijven zien.
Vanaf die tijd tot aan ca. 1680 zijn er bijna voortdurend moeilijkheden geweest tussen de pastoor van Drunen enerzijds en de heren van Onsenoort, de inwoners van nieuwkuijk en hun kapelaans anderzijds over de bediening van de kapel en vooral over de rechten van de pastoor. Rond 1600 schijnt de kapel nog een keer te zijn afgebrand, waarna de schepenen brutaal genoeg waren om een deel van de afbraak te verkopen en er ten dele het huis van de schout mee te bouwen, zonder ook maar een cent te vergoeden. In 1676 zou Nieuwkuijk een zelfstandige parochie zijn geworden.
De geschiedenis van Nieuwkuijk vertoont weinig schokkende gebeurtenissen. Alleen de overstromingsramp van 1880 bracht het rustig agrarisch dorp op trieste wijze in het nieuws. Een groot aantal boerderijen werd erdoor verwoest en het is opvallend, dat zoveel typische Langstraatse boerderijen van Nieuwkuijk uit de jaren 1880-1885 dateren. In 1935 werd de gemeente Nieuwkuijk opgeheven en bij Vlijmen gevoegd.